2008.1777
THEMA
Kosten bij annulering van een belegging.
ADVIES
Aanwezig :
De heer A. Van Oevelen, voorzitter;
Mevrouw L.-M. Henrion, plaatsvervangend voorzitter;
De heren P. Drogné, N. Claeys, L. Jansen, W. Van Cauwelaert, C.-G. Winandy, leden.
Datum : 20 januari 2009
I. DE FEITEN, HET VOORWERP VAN DE BETWISTING EN DE STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN
Einde augustus 2008 schreef verzoekster voor een bedrag van 100.000 euro in op een beleggingsproduct van de bank, voor een termijn van 5 jaar met een opbrengst van 6,5% per jaar. De betaling diende te gebeuren tegen 24 oktober 2008.
Omdat dit product gewaarborgd werd door een bank die in september 2008 in moeilijkheden verkeerde, had verzoekster hierin geen vertrouwen meer en wenste zij haar inschrijving op deze belegging zonder kosten te annuleren en het daarvoor voorziene geld op een termijnrekening te plaatsen.
Volgens verzoekster werd haar dit aanvankelijk geweigerd, omdat het geld voor deze belegging al gereserveerd was.
In een per fax verzonden brief van 9 oktober 2008 meldde verzoekster aan de “Bemiddelingsdienst Banken – Kredieten – Beleggingen” (hierna : “Bemiddelingsdienst”) dat de kantoordirecteur haar had meegedeeld dat zij haar inschrijving op deze belegging kon annuleren tegen betaling van 5% uitstapkosten.
Verzoekster beriep zich in een e-mailbericht van 14 oktober 2008 op artikel 51 van de “Algemene voorwaarden van de verrichtingen inzake deposito’s, effecten en kluizen” van de bank, waarin wordt bepaald dat elke aanvraag tot wijziging of annulering van een order enkel wordt aanvaard onder het uitdrukkelijke voorbehoud dat het nog niet werd uitgevoerd, en volgens verzoeker was het order nog niet uitgevoerd. Zij voegde eraan toe dat een uitstapvergoeding van 5% van de te beleggen som nergens uitdrukkelijk is bedongen.
Op 15 oktober 2008 gaf verzoekster opdracht om haar inschrijving op de hierboven vermelde belegging te annuleren. Zij verklaarde er zich mee akkoord dat de schadevergoeding ten belope van 5% van de te beleggen som, zijnde 5.000 euro, werd afgehouden van haar rekening bij de bank, in afwachting van het eindresultaat van de bemiddeling door de Bemiddelingsdienst.
Daartoe aangezocht door de Bemiddelingsdienst heeft de bank in een e-mailbericht van 15 oktober 2008 meegedeeld dat deze annulatiekosten als een commerciële geste te beschouwen zijn, omdat de werkelijke kosten voor de bank hoger liggen.
II. ADVIES VAN
Het wordt niet betwist dat verzoekster met de bank een overeenkomst heeft gesloten die ertoe strekte haar in te schrijven voor een belegging. De geldigheid van deze overeenkomst wordt door verzoekster niet aangevochten.
Door aan de bank te vragen haar inschrijvingsorder te annuleren, heeft verzoekster contractbreuk gepleegd en dient zij de schade te vergoeden die de bank hierdoor heeft geleden.
Daartoe aangezocht door de Bemiddelingsdienst, heeft de bank de door haar geleden schade als volgt gepreciseerd : 4,11% van de te beleggen som is de optelsom van de kostprijs voor het annuleren van het order bij de tegenpartij en de kostprijs van het overnemen van het marktrisico door de bank; de administratieve kosten voor het annuleren van het order bij de bank bedragen 1%.
De schadepost van 4,11% van de te beleggen som wordt gestaafd door gegevens verstrekt door de tegenpartij en dient als bewezen te worden beschouwd.
Het College is evenwel van oordeel dat de door de bank aangerekende administratieve kosten voor het annuleren van het order van verzoekster, namelijk 1% van de te beleggen som, zijnde 1.000 euro, onredelijk hoog zijn. Een halve procent van de te beleggen som mag geacht worden een redelijke vergoeding te zijn voor deze administratiekosten van de bank.
De klacht van verzoekster is ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond : de bank mag aan verzoekster slechts een annulatiekost van 4,61% op de te beleggen som aanrekenen in plaats van de gevraagde 5%, en wordt verzocht het teveel aangerekende, zijnde (5.000 euro – 4.610 euro) 390 euro, aan verzoekster terug te betalen.
De bank heeft het advies van het College gevolgd.