Vorige

Vermogensbeheer : adviserend beheer. Bank niet verantwoordelijk voor door verzoekster gemaakte keuzes behoudens bedrog of grove nalatigheid

 

2009.2360

 

THEMA

 

Vermogensbeheer : adviserend beheer. Bank niet verantwoordelijk voor door verzoekster gemaakte keuzes behoudens bedrog of grove nalatigheid.

 

ADVIES

 

Aanwezig :
De heer A. Van Oevelen, voorzitter;

Mevrouw L.-M. Henrion, plaatsvervangend voorzitter;
De heren F. de Patoul, P. Drogné, N. Claeys, L. Jansen, W. Van Cauwelaert, C.-G. Winandy, leden.

 

Datum : 27 april 2010

 

 

I. DE FEITEN, HET VOORWERP VAN DE BETWISTING EN DE STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN

 

Verzoekster betwist de aankoopadviezen die haar gegeven werden na 10 juli 2007 in het kader van haar beheerscontract van adviserend beheer (contract dd. 15 mei 2007). Vanaf de datum van 10 juli 2007 had haar portefeuille de limiet van 10% aandelen bereikt. Verzoekster is bijgevolg van mening dat vanaf dan de bank haar geen aandelen meer mocht aanbevelen gezien haar profiel “conservative”.

 

Uit het dossier blijkt dat verzoekster inderdaad op datum van 15 mei 2007 een contract van adviserend beheer bij de bank heeft afgesloten met volgende kenmerken :

 

  • Doelstelling : bescherming van het vermogen;
  • Risicoprofiel : voorzichtig (conservative) welk volgende indicatieve verdeling van het roerende vermogen impliceert : Aandelen 10%, Obligaties 70%, Cash 10%, Overige 10%.

 

Op 30 mei 2007 wordt een bedrag van 499.761,42 euro overgeschreven ten gunste van de effectenrekening van verzoekster bij de bank. Vervolgens wordt vóór 10/07/2007 overgegaan tot 4 verschillende aandelenaankopen ten belope van telkens ongeveer 10.000 euro waardoor samen voor ongeveer 40.000 euro in aandelen werd geïnvesteerd. Daarna wordt verder belegd in aandelen tot op 24/10/2007 waardoor de aandelenpositie van verzoekster eind 2007 kwam op 26,1% van de totale portefeuille. Verzoekster vraagt zich af of dit in het kader van haar contract gerechtvaardigd was.

 

Standpunt van de bank :

 

De bank benadrukt dat het gewicht van risicovolle beleggingen binnen een conservatief profiel een leidraad is waar de bank kan van afwijken. De richtlijnen gelden enkel als indicatie. De ondertekende overeenkomst bepaalt dat een afwijking van deze verdeling door de cliënt altijd de verantwoordelijkheid van de klant is.

 

De bank verwijst naar de veelvuldige contacten die plaatsvonden in 2008 waarbij de portefeuille van verzoekster werd besproken en verzoekster haar tevredenheid uitte met de opvolging.

 

De bank is van mening dat zij zich gehouden heeft aan de richtlijnen van Mifid en het adviescontract. De verliezen zijn te wijten aan de correcties op de internationale aandelenmarkten.

 

II. ADVIES VAN HET BEMIDDELINGSCOLLEGE

 

Het College stelt vast dat de beleggingen die verzoekster betwist plaatsvonden tussen 10/07/2007 en 24/10/2007, dus vóór het in voege treden van de Mifid-wetgeving.

 

In het contract adviserend beheer staat bij het door verzoekster gekozen profiel van conservatief beheer gespecificeerd dat er 10% in aandelen kan worden opgenomen. De bank werd dan ook uitgenodigd om te verduidelijken waarom er buiten deze aangegeven proportie geadviseerd werd. De bank heeft laten weten dat afhankelijk van de marktomstandigheden de tactische allocatie kan aangepast worden. Pas als de grens van 30% aandelen overschreden werd, was er sprake van overgewicht, hetgeen niet het geval was.

 

Er kan betreurd worden dat het contract niet de marge preciseert waarin kan afgeweken worden van de aangewezen proporties (bv. aandelenvork bij conservatief profiel 10% à 30%). Het College doet de aanbeveling naar de bank om in de toekomst duidelijker te zijn op dit punt. Het is inderdaad belangrijk dat de klant daar goed over geïnformeerd wordt.

 

Om de gegeven adviezen te beoordelen moet men inderdaad enerzijds rekening houden met de indicaties opgenomen in het contract maar anderzijds moet men zich ook plaatsen op het ogenblik van de intekening en het dan heersende beursklimaat. In 2007 waren de marktomstandigheden voor beleggingen in aandelen gunstig en was bijgevolg een afwijking gerechtvaardigd.

 

Het feit dat verzoekster voor adviserend beheer gekozen had, hield in dat de beleggingen op haar instructie en voor haar rekening geschiedden waarbij de bank niet verantwoordelijk kon worden gesteld voor de gemaakte en door verzoekster ingestemde keuzes met uitzondering van bedrog of grove nalatigheid.

 

In het contract van adviserend beheer heeft verzoekster bovendien verklaard goed vertrouwd te zijn met obligaties en aandelen.

 

Een contract van vermogensbeheer houdt geen resultaatsverbintenis in en dient bijgevolg niet op het resultaat afgerekend te worden.

 

Indien verzoekster einde 2007 niet akkoord was met de verhouding aandelen in haar portefeuille (wat zij had kunnen vaststellen in de eindstaat die haar werd opgestuurd per 31/12/2007), had zij deze op dat ogenblik kunnen terugbrengen naar de percentages door haar gewenst, wat zij niet gedaan hebt.

 

III. BESLUIT

 

Op basis van het voorgaande kan het College geen aansprakelijkheid van de bank aannemen.

 

Het College doet aan de bank de aanbeveling om aan de cliënt preciezer mee te delen binnen welke verhouding in een conservatief profiel een belegging in aandelen mogelijk is.